+31(0)77 351 50 41

St. Martinusstraat 5

5911 CJ Venlo

info@meulenkampadvocaten.nl

algemeen adres

Groepsaansprakelijkheid bestuurders voor het versturen en betalen van spookfacturen?

Inleiding

In de jurisprudentie zijn tal van voorbeelden te vinden van individuele bestuurdersaansprakelijkheid. Minder voorbeelden zijn er te vinden waarin bestuurders samen onrechtmatig handelen. Zo wel in het vonnis van de rechtbank Overijssel van 31 december 2020. In dit vonnis oordeelde de rechtbank dat er sprake is van groepsaansprakelijkheid van een groep bestaande uit een tweetal bestuurders en een besloten vennootschap.

Het vonnis is opmerkelijk omdat de rechtbank het leerstuk van groepsaansprakelijkheid heeft toegepast in een ondernemingsrechtelijke context. Tot nu toe werd groepsaansprakelijkheid vooral toegepast bij in turba verrichte onrechtmatige gedragingen (de term ‘in turba verrichte onrechtmatige gedragingen’ ziet op gevallen waarin tijdens wanorde, gedrang, gewoel van een (grote) menigte onrechtmatig schade wordt toegebracht). 

De groepsaansprakelijkheid heeft grote gevolgen voor de omvang van de schade waarvoor de leden van de groep aansprakelijk zijn. Bij individuele gevallen van bestuurdersaansprakelijkheid is de bestuurder ‘slechts’ aansprakelijk voor de schade die in causaal verband staat met zijn eigen onrechtmatige handelen. Bij groepsaansprakelijkheid is de omvang van de aansprakelijkheid groter: de leden van de groep zijn hoofdelijk, dus ieder voor het geheel, aansprakelijk voor de totale schade die is veroorzaakt door de groep.

 

Het vonnis van de rechtbank Overijssel

De benadeelde was een installatiebedrijf (“Installatiebedrijf”). De aansprakelijke groep bestond uit de bestuurder van Installatiebedrijf (“Bestuurder A”), een ander bedrijf dat handelde in tapijten (“Tapijtwereld”) en de bestuurder van Tapijtwereld (“Bestuurder B”). Er was nog een tweede groep die volgens de rechtbank ook in groepsverband onrechtmatig heeft gehandeld jegens Installatiebedrijf, maar omdat de feiten en het juridische oordeel ten aanzien van deze groep nagenoeg hetzelfde zijn zal slechts één groep worden besproken.

De feiten zijn als volgt. In 2017 heeft Installatiebedrijf onderzoek laten doen naar haar eigen bedrijfscultuur en de tevredenheid van haar werknemers. Uit dit onderzoek is gebleken dat Tapijtwereld in de loop der jaren verschillende facturen heeft verstuurd waar geen wezenlijke tegenprestaties van Tapijtwereld tegenover stonden. Dit waren dus spookfacturen.

Ondanks dat het ging om spookfacturen liet Bestuurder A deze wel betalen. Na ontdekking van deze gang van zaken heeft Installatietechniek Bestuurder A ontslagen en de spookfacturen nader onderzocht. Uit dat onderzoek is gebleken dat voor meer dan 1,2 miljoen euro aan spookfacturen is betaald door Installatietechniek. Naar aanleiding hiervan heeft Installatiebedrijf Bestuurder A, Tapijtwereld en Bestuurder B aansprakelijk gesteld.

Bestuurder A, Tapijtwereld en Bestuurder B erkennen dat er facturen zijn verstuurd en dat deze zijn betaald, maar betwisten dat Installatietechniek hierdoor is benadeeld. Deze constructie zou namelijk zij bedacht om te voorzien in een grote behoefte aan contant geld van Installatietechniek en Installatietechniek dus ten goede zijn gekomen. Volgens Bestuurder A had Installatietechniek een groot zwartgeldcircuit dat werd gebruikt om bijvoorbeeld overuren van werknemers mee te betalen. Omdat Installatietechniek zelf niet over voldoende contant geld beschikte, heeft zij met Tapijtwereld de spookfactuurconstructie bedacht. De bedragen die op basis ban de spookfacturen aan Tapijtwereld werden betaald, werden vervolgens in contanten teruggegeven aan Installatietechniek (onder inhouding van een provisie van 10%). Op deze manier kon Installatietechniek voorzien in haar behoefte aan zwart geld, aldus Bestuurder A. Tapijtwereld en Bestuurder B stelden dat zij enkel uitvoering gaven aan deze afspraak en daardoor niet onrechtmatig hebben gehandeld tegenover Installatietechniek.

De rechtbank volgt Bestuurder A, Tapijtwereld en Bestuurder B niet in hun verweer. Volgens de rechtbank is het versturen van spookfacturen en het laten betalen van die spookfacturen zonder meer onrechtmatig omdat de ontvanger van de facturen verplicht is om de facturen te voldoen terwijl daar geen rechtsgrond voor bestaat. De rechtbank oordeelt ook dat, als al vast zou komen te staan dat Tapijtwereld contact geld heeft gekregen in ruil voor de betaling van de spookfacturen, dit niet het onrechtmatige karakter van de constructie ontneemt.   

De rechtbank oordeelt ook dat Bestuurder A, Tapijtwereld en Bestuurder B een groep vormen omdat zij gedurende een lange periode bewust hebben samengewerkt om Installatiebedrijf te doen bewegen de spookfacturen te betalen. Daarvoor was interactietussen de leden van de groep vereist. Elk lid had een onmisbare taak in de keten: Bestuurder A had Tapijtwereld en Bestuurder B nodig voor de spookfacturen en Bestuurder B en Tapijtwereld hadden Bestuurder A nodig voor de betaling van de spookfacturen.

De rechtbank acht dat voor alle partijen volstrekt duidelijk was wat er van elkaar werd verwacht en dat zij wisten dat hun handelen schade zou toebrengen aan Installatietechniek. Hierdoor zijn Bestuurder A, Tapijtwereld en Bestuurder B op grond van de groepsaansprakelijkheid van artikel 6:166 BW aansprakelijk voor de gehele schade die de groep heeft veroorzaakt.

 

Tot slot

Deze uitspraak toont dat het in groepsverband bijdragen aan de benadeling van een ander verstrekkende gevolgen kan hebben. Mocht een rechter tot het oordeel komen dat er sprake is van groepsaansprakelijkheid, dan zijn alle individuele leden van de groep aansprakelijk voor de gehele schade.

Terug naar overzicht
© Meulenkamp Advocaten Venlo - 2021
Created by LR Internet &